Oude stemmen in jong land 

1 Februari 2026

De foto is een paar jaar geleden eind september genomen in Lelystad. Links ligt de dijkweg. Rechts begint het bos van de Slenk. Daartussen zie je een voetpad dat via het open land het bos ingaat.

In de verte hangt mist, laag en compact. Niet overal. Alleen daar. Het lijkt alsof ze uit de dijkweg oprijst en zich langzaam via het talud richting het voetpad verplaatst, om het bos in te gaan. Alsof ze weet waar ze heen wil.

Het was geen algemene nevel, geen sluier over het hele landschap. De mist koos een route. Ze bleef hangen in de laagte, trok langs het pad en liet de rest van het land ongemoeid. Dat maakte het beeld indringend. Alsof iets zichtbaar wordt dat zich normaal aan het oog onttrekt.

Wat hier te zien is hoort anamistisch gezien bij iets ouds. Iets wat zich vaak laat zien in Flevoland wanneer het land openvalt. De Witte Wieven, mythologische vrouwelijke natuurwezens.

Ze laten zich zien bij open land, langs dijken en boven beekjes en weteringen. Maar vooral langs de akkers. Flevoland is de graanschuur van Nederland. Open velden, rechte lijnen, grote luchten.

En juist boven die akkers hangt vaak mist. Vooral van de herfst tot diep in de winter. Soms dun en doorschijnend, soms zo dicht dat het land zichzelf lijkt te vergeten.

Mist is oud. Ouder dan dit land. Flevoland is jong en mist is oer. Mist hoort bij het grensgebied. Tussen zichtbaar en onzichtbaar. Tussen wat er is en wat zich onttrekt.

In die mist wonen de Witte Wieven. Ze horen bij diep verankerde kennis- en traditielijnen die zich uitstrekken over grote delen van Noordwest-Europa.

Ze verschijnen in nevelslierten boven velden, heide en moeras. Soms worden ze gezien als beschermers, soms als waarschuwers. Altijd zijn ze verbonden met overgangen.

Hun naam verwijst niet alleen naar kleur, maar ook naar weten. Wit als wijs. Als dragers van kennis die ouder is dan boeken en systemen. De Witte Wieven worden gezien als heilige voormoeders.

Het zijn vrouwen van vóór de geschreven tijd. Draagsters van weten dat werd doorgegeven in lichamen, handen en stemmen. Niet vastgelegd, maar geleefd.

Het tweede deel van hun naam, het woord Wieven, is een oud Nedersaksisch woord en betekent vrouwen. Witte vrouwen, draagsters van weten, verbonden met land en geheugen.

Ze wonen in de mist, maar ook diep in de aarde zelf, in de onderlaag van het landschap. In terpen en heuvels, en vooral in hunebedden en grafheuvels. In oude verhogingen in het land, waar generaties hun doden hebben neergelegd. Plekken waar leven en dood elkaar raken. Waar tijd geen rechte lijn is, maar een kring.

Hunebedden en grafheuvels worden gezien als doorgangen. Als plekken waar weten bewaard blijft. De Witte Wieven waken daar, als een collectieve aanwezigheid. Een veld van vrouwen. Voormoeders die hoeden, begeleiden en soms waarschuwen. Verbonden met geboorte, sterven en alles wat daartussen beweegt.

Witte Wieven zijn niet gebonden aan kalenderdata of vaste maanden. Hun verschijnen volgt geen menselijke tijdsindeling, maar een natuurlijke cyclus. Het gaat om de periode waarin de natuur zich terugtrekt: wanneer het kouder en natter wordt, het licht afneemt en groei stilvalt.

In veel oude culturen is dit de tijd waarin de oude godinnen en voormoeders centraal staan. Zij horen bij overgang, bij de onderwereld, bij rust en het bewaren van wat nog moet ontstaan.

De Witte Wieven maken deel uit van diezelfde beweging. In deze periode laten zij zich vaker zien en voelen, met name in mist en nevel, wanneer grenzen zachter worden. Wanneer de cyclus kantelt en het licht terugkeert, trekken zij zich weer diep terug in de aarde.

De Witte Wieven passen moeiteloos in Flevoland. Het is jong land aan de oppervlakte maar het rust op oude bodem. Onder het nieuwe land ligt een verleden dat niet verdwenen is.

Water heeft hier eeuwenlang geheerst. Moeras pulseerde hier leven en verval tegelijk. Wat nu strak en droog lijkt, draagt nog altijd die onderlaag in zich.

Mist lijkt die lagen met elkaar te verbinden. Alsof het land zich herinnert wat het was. Alsof iets ouds weer ademhaalt.

Wie door de mist loopt, merkt hoe het landschap verandert. Geluid wordt doffer. Afstanden vervagen. Richting verliest zijn vanzelfsprekendheid. Het is een ervaring die vertraagt en opent.

Precies daar, in dat vertraagde kijken, komen de Witte Wieven dichtbij. Als gevoel van aanwezigheid.

Ze spreken niet in woorden. Ze laten zich zien in flarden. In contouren die oplossen. In het besef dat niet alles wat werkelijk is, scherp omlijnd hoeft te zijn.

En misschien is dat wat de Witte Wieven hier doen. Ze herinneren ons aan de oerlaag onder alles wat hier gemaakt is. Aan weten dat niet verdwijnt, ook niet wanneer het land van vorm verandert. Zij brengen oer naar nieuw.

En dat is bijzonder. Want Flevoland is ontstaan aan de tekentafel. Een land van lijnen en berekeningen, van plannen en vooruitdenken. Ook de natuur kreeg hierin een plaats, bedacht en ingepast.

En toch gebeurde wat altijd gebeurt. Moeder natuur begon haar eigen weg te zoeken, soms binnen de lijnen, soms erlangs, en soms er dwars doorheen.

Ook is bij de aanleg geprobeerd het nieuwe met het oude te verbinden. Via beeldende kunst bracht de mens zelf lagen van geheugen en betekenis aan. Kunstwerken dienden als ankers, als tekens die iets ouds naar het nieuwe moesten halen. Alsof betekenis niet vanzelf komt, maar moet worden uitgenodigd.

Maar misschien hoeft het oude niet alleen gebracht te worden. Wie weet beweegt het oude ook zelf naar het nieuwe. Misschien hebben de Witte Wieven dit land gevonden omdat het nog niet vastlag in betekenis. Omdat er open plekken waren. Omdat hier, tussen water en klei, iets nieuws kon beginnen zonder het oude uit te sluiten.

Wie zich daarvoor openstelt, kijkt anders naar dit land. Het is niet alleen een ontworpen landschap, maar ook een plek waar dat wat niet is uitgedacht, kan aankomen. Een plek waar oeroude mythologische wezens zich thuis kunnen voelen.