De laatste adem door de eeuwen heen
De omgang met sterven is zo oud als de mens zelf.
Al in de prehistorie begroeven de mensen hier in de Lage Landen hun doden met zorg, met offergaven, bloemen of symbolische voorwerpen, om het leven eer aan te doen en de oversteek naar het onbekende te verzachten.
Rond de oude grafheuvels die nog in het landschap rondom Flevoland liggen, werd gewaakt, geofferd en gezongen.
Men handelde vanuit het besef dat de ziel verderging en dat de levenden konden helpen bij die overgang, vaak door rituele aandacht.
De stervende stond daarin niet alleen. Sterven was een samenzijn, een laatste deel van het leven waarin gemeenschap en genegenheid elkaar droegen.
In de eeuwen die volgden, verschoof het geloofsbeeld.
Waar men voorheen leefde met vele goden, met natuurkrachten en seizoenen die heilig werden geacht, kwam langzaam een ander geloof naar voren, één dat het leven en het sterven anders duidde.
Nieuwe gebruiken ontstonden, oude verdwenen of vonden een nieuwe vorm binnen de veranderende tijdgeest.
Wat bleef, was het verlangen om betekenis te geven aan het einde van het leven, om de overgang te begeleiden met eerbied en ritueel.
Het sterven vond zoveel mogelijk plaats in huis, omringd door familie en buren.
De stervende bleef zolang dat kon, midden in het leven, in een rustige kamer, zoals de voorkamer, waar dierbaren zich verzamelden.
Er werd zacht gesproken bij het bed, een hand vastgehouden, gezongen, een recitatie of gebed gefluisterd.
Men zorgde samen voor het lichaam: het wassen, het kammen van het haar, het omwikkelen in linnen.
Het stervensproces was geen medisch moment, maar een heilige overgang waarin liefde, zorg en gemeenschap samenvielen.
Er was tijd om te sterven, tijd om in alle rust de laatste adem uit te blazen, tijd om die adem te laten weerklinken in eerbied, tijd om afscheid te nemen.
De stervende werd gedragen door de woorden, de stilte en de handen van wie bleef.
Die stilte was vol betekenis. Daarna hielp men elkaar: gordijnen gingen bijvoorbeeld dicht en spiegels werden afgedekt.
Rituelen die werden gedaan om de ziel van de gestorvene te helpen om verder te gaan en niet te blijven hangen in het land van de levenden.
De klokken luidden traag over de velden. Ze vertelden het dorp dat er iemand was gestorven, zodat men wist dat er rouw was in de gemeenschap.
Sommige van die gebruiken zijn in veranderde vorm blijven bestaan. De klokken klinken soms nog steeds, als een zacht teken van eerbied.
En ook de behoefte om verdriet zichtbaar te maken leeft voort, al gebeurt dat vaak anders dan toen.
Vroeger droegen mensen in de rouw vaak hoofdbedekking of een sluier.
De sluier hield de wereld klein, zodat het rouwende hart zich kon terugtrekken en de aandacht naar binnen kon gaan.
Ze bood ook bescherming tegen de buitenwereld en maakte zichtbaar dat iemand zich tijdelijk terugtrok uit het gewone leven.
Een stille grens tussen binnen en buiten, tussen verlies en hervinden. Iets wat nog steeds in gebruik is,
Er waren ook tijden waarin verdriet juist niet openlijk getoond mocht worden.
In sommige streken werden vrouwen gevraagd om te wenen, de klaagvrouwen.
Zij huilden niet alleen voor de dode, maar ook voor de levenden, als uitlaatklep voor wat niet gezegd of gevoeld mocht worden.
In landen als Ierland kende men dit als een uitgesproken traditie, maar ook hier gebeurde het, zij het in bescheidener vorm.
Hun stem gaf lucht aan wat onder de oppervlakte bleef. Een echo van oude verbondenheid, zelfs in tijden van ingetogenheid.
Zo waren sterven en rouw op vele manieren zichtbaar en collectief.
De betrokken artsen maakten ook deel uit van dat geheel en bewogen erin mee.
Iedereen wist wat er te doen stond, want de dood hoorde bij het leven zoals het ploegen bij het veld hoorde.
In die rituele vanzelfsprekendheid vond ook de stervende rust: men wist wat er te wachten stond en wie zou begeleiden.
In de loop van de tijd veranderde dat. Het sterven verschoof steeds meer naar ziekenhuizen en instellingen.
Wat ooit gedragen werd door de gemeenschap, werd toevertrouwd aan professionals.
De nabijheid bleef vaak achter in het dorp, samen met de oude rituelen.
De taal van aanraking en waken raakte dunner; het gesprek over sterven werd omzichtig, alsof het iets was wat je beter niet kon benoemen.
Waar men vroeger sterven samen deed, kwam nu vaker eenzaamheid. De stervende werd steeds vaker patiënt. De tijd vanuit rust tussen leven en dood werd strakker.
Gaandeweg bewogen de manieren van sterven en rouw door de tijd heen, van collectief naar individueel.
Ik kan mij nog herinneren dat het in mijn kindertijd vanzelfsprekend was dat wanneer er een rouwstoet voorbijkwam, je stil bleef staan en je hoofd licht boog, uit medeleven en eerbied voor de overledene.
Ik doe dat nog steeds, het is een klein gebaar van medeleven. Maar het is niet meer zo vanzelfsprekend in de tijd van nu.
Toch zien we opnieuw een verschuiving: steeds meer mensen voelen een verlangen om het sterven weer dichter bij het leven te brengen, vanuit rust, met ruimte voor rituelen en symboliek.
Men zoekt naar zachtheid, betekenis en verbondenheid.
Liederen bij het bed, rituelen van afscheid, kleuren die iets zeggen over wie iemand is en was.
Maar ook rituelen voor wie al een tijd van tevoren weet dat het einde eraan komt, rituelen die helpen voorbereiden, die helpen nog mooie laatste herinneringen te maken, die helpen te verzachten.
Wat ooit vanzelfsprekend was, krijgt opnieuw aandacht, als een herinnering aan wat altijd onder de oppervlakte is blijven bestaan: de menselijke behoefte om met liefde en zorg aanwezig te zijn tot aan het einde, en daarna.
Sterven en rouw zijn dus nooit verdwenen.
Ze hebben steeds een andere vorm aangenomen, passend bij de tijd.
In die voortdurende beweging, van zichtbaar naar ingetogen, van collectief naar persoonlijk, klinkt nog steeds hetzelfde verlangen door: om het leven te eren tot aan de laatste adem, en die adem te begeleiden met liefde, aandacht en betekenis.
De plaats van Flevomagie
Mijn begeleiding is ritueel van aard. Soms ontstaat daarin iets dat rechtstreeks uit de oude traditie voortkomt, soms groeit er iets geheel nieuws.
Gebaren, symbolen, liederen, of vormen van samenzijn die passen bij het leven van degene om wie het gaat.
Rituelen vormen zo een natuurlijke stroom binnen de begeleiding, maar ze zijn niet het enige: ook stilte, gesprek of aanwezigheid kunnen dragers van betekenis zijn.
Alles wat ik doe, ontstaat vanuit aandacht, intentie en betrokkenheid.
Dat is wat Flevomagie kenmerkt: begeleiding waarin oude kennis en nieuwe vormen samenvloeien tot een zacht weefsel, waarin het heengaan gedragen wordt door betekenis, liefde en nabijheid.